woensdag 17 september 2014

Een wandeling, een boom, een blad.

Vandaag gewandeld. En dan voer ik hele gesprekken met mezelf en mijn Vader. Ik vertel Hem mijn worstelingen, en spreek aarzelend uit dat ik Hem vertrouw. Ik wil dat zo graag, Hem vertrouwen... Maar omdat het zo beproefd wordt door de omstandigheden (en meer nog door mijn heen en weer slingerende emotie's ), is dat zo lastig. En des te harder is het nodig Hem wél te vertrouwen. Als enige vorm van stabiliteit in mijn leven. Daar waar mijn emotie's het vaak af laten weten (ik kan van de top, zo weer het dal invliegen), daar is Hij stabiel, met Zijn liefde rondom mij. In mij. Vult Hij mij en voedt Hij mij. Dat voel ik maar af en toe. Maar dat wéét ik wel, omdat Zijn Geest me ervan verzekert dat ik Zijn geliefde kind ben (Romeinen 8), en Hem mag aanroepen met Abba Vader.

Op Twitter plaatste ik net, na de wandeling deze Tweet:
"Ik snap niks van het leven. Ik snap niks van mezelf. Mensen snappen niks van mij. Ik snap niks van God. God snapt alles van mij (Psalm 139). Ik vertrouw Hem. Wie zou ik anders (nog) moeten vertrouwen?"

Nu viel tijdens het wandelen mijn oog op een grote, stevige boom. Nog volop in blad.


En mijn oog viel op een klein takje op de grond. Onder die boom.



Ik heb de volgende uitleg daarbij:

Alle mensen, alle schepselen, alle kinderen van Hem (iedereen is kind van Hem, zelfs al weten/beseffen ze dat zelf niet), zijn de blaadjes aan die boom. Die grote stevige boom. Alle blaadjes zijn 'gelijkwaardig' (misschien wel anders van vorm, maar wel 'gelijk-waardig'... van evenveel waarde). Ze waaien wat heen en weer in de wind. De ene vangt veel wind, de ander veel zon. Maar ze hebben één ding gemeen... Ze zitten allemaal (indirect) vast, aan die grote, stevige stam (zou God kunnen zijn). Die is niet zo afhankelijk van die zon, regen, wind. Die blaadjes wel. Die verkleuren, vallen uit, etc. Zijn afhankelijk van het seizoen. De stam blijft rotsvast staan.

Maar dan het kleine takje er onder. Het scheutje van diezelfde boom. Dus indirect nog steeds verbonden met die stam. Maar los van al die andere blaadjes. Ver er vandaan. Dat ben ik. Ik roep af en toe wat naar boven... Maar door de afstand wordt het niet gehoord, of verkeerd begrepen. Af en toe proberen de blaadjes mij bij hen te halen. Maar dat gaat ook niet. Ik zit met eigen wortels in de grond. Ik kan makkelijk vertrapt worden. Ben laag bij de grond. Voel soms de jaloezie op die bladeren daarboven... of ze het zoveel beter hebben, daar in de volle wind, en het brandende zonlicht. We leven naast elkaar, maar niet met elkaar. Ondanks verwoede pogingen soms. Voor mij om op te klimmen. En voor anderen om af te dalen. Het voelt als een isolement. Ik gebruik wel die stam, om hoger te komen. Die grote, stevige stam. Maak gebruik van dezelfde voedingsstoffen in de grond. Of zal ik het opgeven, om het zelf te proberen? Zal ik er maar op vertrouwen, dat de stam zélf me helpt om te groeien en naar boven te komen? En waarom mag ik niet gewoon mezelf zijn? Op mijn eigen, unieke plekje. Wil ik in die 'kroon met bladeren', omdat iedereen daar zit, of om dat ik het wil?
Als je vraagt wat ik wil... laat me maar zijn wie ik ben. Groot op mijn manier. En weetje... Er is één straaltje Zonlicht, dat hélemaal afgedaald is tot de grond. Om mij daar te verwarmen. Op mijn eigen plekje. Het voelt eenzaam, als ik me blijf richten op al die bladeren, die daar boven me hangen en me keer op keer maar niet lijken te begrijpen. Maar als ik mijn gezicht naar dat Ene straaltje Zonlicht keer, dan mag ik op mijn eigen plekje genieten van het Licht en de Warmte.

God beschermt mij met Zijn zegen.
God verwarmt mij met Zijn licht.
God schenkt mij Zijn glimlach (in ruil voor mijn tranen).
God kijkt (via dat straaltje Zonlicht), vol vrede mij in mijn (verdrietige) ogen.
God kijkt naar mij met eindeloos veel tederheid en diep mededogen.
Hij is om mijn leed bewogen.
Om mijn gevoel van onbegrepen zijn.
Begrijpt het door Zijn eigen lijden als geen ander.
En vraagt aan mij: 'zullen we ruilen? Jij mijn vrede en ik jouw pijn?'



Enkele weken terug, liet ik me tijdens een wandeling ook inspireren en kwamen de volgende ingrijpende woorden, als vanzelf, als een gebed in mijn ziel omhoog:

Mijn hartverscheurende zielepijn,
In een wandeling weer bij Hem gebracht.
Mijn leven vóelt soms als de nacht.
Eenzaam, miskend, nóóit begrepen, verlaten, verkeerd geïnterpreteerd, mijn waarheid en gedachtegangen immer moeten verdedigen.
Een ander kan er niet bij... 
Of denkt dat het alleen mijn beleving is en geen realiteit.
Hoe het ook zij...
De pijn is diep.
Dat vóelt als de nacht.
Intens. 
Gebroken.
Gelukkig houdt Vader onvoorwaardelijk en onveranderlijk veel van me.
Dat verandert niet door deze gevoelens.
Gevoelens kan ik niet op varen. 
Die brengen me op wanhopige gedachten.
Maar al daal ik af in het dodenrijk,
Voelt de dag als de nacht.
En zou ik wensen dat het dan maar voor altijd duister moet zijn.
Hij is daar.
Hij houdt me vast.
Aan Zijn rechterhand.
Zie je me in gedachten op dat veldje met mijn Vader huppelen???
Hij huilt om mijn eenzaamheid.
En samen met Hem, wordt de nacht weer een beetje dag.
(vrije versie van Psalm 139 ).


1 opmerking: