zaterdag 24 februari 2018

Ik en mijn nichtje

Ik breng regelmatig op de dag tijd door in mijn bed. Niet altijd om te slapen. Met de vermoeidheid valt het de laatste tijd wel mee. Ik slaap 's nachts over het algemeen wel goed en dat merk je overdag. Maar ik breng wel die tijd in bed door om te ontprikkelen. Staren. Of wat lezen. Of muziek. Of gewoon niets. Zijn. Mijn Vader en ik. Ik en mijn Vader.
Maar heel af en toe sluipt jongste die eigen wereld van mij binnen.



Dan gaat hij friemelen met mijn vingers. 
Het maffe is dat ik vroeger precies hetzelfde met/bij mijn moeder deed. Ik kon me niet echt aan haar overgeven. Maar kroop wel bij haar in bed. Dat bood veiligheid, zonder woorden. En... Ik friemelde aan haar vingers en deed eindeloos aftelliedjes. Telkens een vinger meer weg (krombuigen). De vinger die uiteindelijk overbleef, kreeg dan een kusje van me. De aftelversjes waren aftelversjes die mijn moeder mij leerde, die zij weer geleerd had van háár moeder, als klein meisje. 

De versjes gingen zo: 
Ik en mijn nichtje, 
Zwart gezichtje, 
Heb je een hemdje voor mij? 
Nee, zei mijn nichtje, 
Zwart gezichtje, 
ik heb er zelf maar vijf: 
Twee in de kast, 
Twee in de was 
En één aan mijn lijf. 

Onder de brug bij Anke Franke verkochten ze eikenhout. 
Maar dat hout dat wou niet branden. 
Tjonge jonge wat een verdriet, 
Koop bij Anke Franke niet. 

Onder de brug daar lag een hond. 
Één van de jagers schoot hem in zijn kont. 
'Au!', zei het hondje, 
'Lood in mijn kontje!' 

De generaties door. Niet zozeer de versjes. Oudste stond er nooit voor open en jongste zal het nooit kunnen leren. 
Maar wel het vinger-friemelen. En veilig bij je moeder in bed kruipen. 
Ik kroop er even voor mijn wereld uit. 

1 opmerking: